Project Description

Meidoornhagen, onvervangbare troef voor Zoutleeuw

1.  Ode aan de lente

De stad Zoutleeuw schuift resoluut de meidoorn naar voren als embleem voor het nieuwe Wandelnetwerk Getevallei  (verkozen tot beste wandelproduct van 2016).

De keuze voor de éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) is niet zonder reden: ze is een echte klassieker in het Hageland en hét symbool voor biodiversiteit in eigen streek.   De meidoorn zit boordevol leven en brengt voedsel en kleur in het landschap.

In het voorjaar staat de meidoorn – hoe kan het ook anders – op haar mooist.  Half maart loopt deze prachtige stekelige struik uit en kleurt in een mum van tijd fris groen met vrij diep ingesneden gelobde blaadjes.  Begin mei vormt ze tal van bloemknoppen in grote eindtuilen, die half mei uitbundig openbarsten als lofzang aan de lente.   De struik staat dan propvol kleine roomwitte, lekker geurende bloempjes en trekt tal van insecten aan.  Indien de haag niet geschoren wordt vormt ze in het najaar donkerrode bottels.  In de winter blijven deze bessen extra lang hangen en zijn ze zeer geliefd bij vogels.

2.  Biodiversiteit ten top

De meidoorn is een doornige plant uit de rozenfamilie.  De soort staat bekend als struik die wordt aangeplant in haagvormig verband of in heggen.  Alleenstaande exemplaren kunnen uitgroeien tot kleine bomen (tot 10 m hoog).  Als haagplant heeft de inheemse meidoorn verschillende interessante troeven en is ze een ware schatkamer van biodiversiteit.

  1. Meidoorn is een snelle groeier en verre van kieskeurig: de struik stelt weinig eisen aan de vruchtbaarheid en de vochtigheid van de bodem.
  2. Bovendien is ze als echte ‘doornhaag’ ondoordringbaar en dus een ideale broedplaats voor kleine zangvogels die er bescherming vinden tegen roofdieren.
  3. Als nectarproduct worden de bloesemwolken veelvuldig bezocht door insecten terwijl later de bessen het wintermenu aanvullen voor vogels en kleine zoogdieren.
  4. Wanneer een meidoorn tot op de grond wordt afgezet (wat bij verwaarloosde exemplaren wel eens nodig kan zijn), loopt ze meestal zonder problemen weer uit.

Meidoornheggen kan je bovendien leggen, in plaats van snoeien.  Met deze vergeten techniek – die meer dan 2.000 jaar lang werd toegepast – wordt de stam van de haagplant half doorgehakt en schuin neergelegd.   De overgebleven takken worden ingevlochten waardoor er een dicht stelsel gecreëerd wordt dat veel weerstand biedt tegen klimatologische elementen.  Deze techniek geeft mooie gezonde heggen en zorgt ervoor dat de vruchtbare sliblaag bij hevige neerslag of overstroming op het land gehouden wordt.

Van onze inheemse planten leent vooral de meidoorn zich bijzonder om heggen te leggen, maar ook hazelaar, sleedoorn, haagbeuk, wilde liguster, Gelderse roos en rode kornoelje zijn geschikt.

.

3.  Symbool van het oude agrarische cultuurlandschap

Meidoornen vond je vroeger van nature vooral in ijlere bossen, bosranden en open plekken in het bos.  Ook aan natuurlijke oeverwallen langs beken en rivieren kwam je ze tegen.  Onder invloed van de mens zijn ze gaandeweg een belangrijke positie in het cultuurlandschap gaan innemen.  De eerste landbouwers gebruikten geschoren doornhagen als vlechthaag ter bescherming van erf en akker, maar nog belangrijker: als veekering rond de weides.  Voor deze ‘weerhagen’ werd bijna altijd éénstijlige meidoorn gebruikt, al kwamen andere haagsoorten er vaak spontaan in terecht.

Het is pas vanaf de 20ste eeuw dat meidoorn het hard te verduren krijgt.  Met de komst van prikkel- en schrikdraadafsluitingen, veranderende landbouwmethodes en toenemende bebouwingsdruk verloren de hagen hun functie, waardoor   deze eeuwenoude levende omheiningen stelselmatig uit onze landschappen verdwenen. Nu resten veelal enkel nog doorgeschoten restanten van dergelijke hagen.   Naar schatting driekwart van onze meidoornhagen verdween de afgelopen eeuw.

In fruitstreken werden meidoornhagen ook gerooid  onder het mom van de bestrijding van bacterievuur (zgn. perenvuur).

.

4.  Schuldig zonder geloofwaardige bewijslast?

Bacterievuur is een ernstige plantenziekte, veroorzaakt door de bacterie Erwinia amylovora, in 1972 voor het eerst in België vastgesteld.  Aangetaste bomen en struiken kunnen in korte tijd zware schade oplopen en zelfs doodgaan. Bloemen en jonge scheuten zijn het meest vatbaar. De besmetting wordt verspreid door vogels, insecten, wind, regen en door aanraking met handen of besmet gereedschap.   Allerlei klimatologische omstandigheden kunnen de infectiedruk verhogen.  Enkel zogenaamde ‘waardplanten’ zijn gevoelig voor bacterievuur en kunnen dus geïnfecteerd worden.  Net zoals appel, peer, wilde lijsterbes en meidoorn, zijn het bijna allemaal soorten uit de rozenfamilie.   Er zijn bijna 200 plantensoorten bekend die kunnen aangetast worden door bacterievuur.

Met het oog op de bescherming van landbouwgewassen zijn enkele wettelijke bestrijdingsplichten uitgewerkt (de Europese Richtlijn 200/29/EG van 8 mei 2000 en het  Koninklijk Besluit van 23 juni 2008).  Europa stelt dat de lidstaten ‘alle noodzakelijke maatregelen’ moet nemen om de schadelijke organismen uit te roeien of in te dijken.

De richtlijn bepaalt echter niet op welke manier de bacterie moet worden aangepakt.  Het KB van 2008 stelt dat afhankelijk van de ernst van de aantasting, besmette planten door de verantwoordelijke (eigenaar, huurder, gebruiker, …), gesnoeid moeten worden tot minstens 50 cm onder de laagst gelegen infectieplaats, tegen de grond afgezet of gerooid worden.

Het besmette materiaal (snoeisel, gerooide planten) dient bij voorkeur ter plaatse vernietigd te worden door verbranding, indien de lokale wetgeving dit toelaat. Wanneer dit niet het geval is, dient het besmette materiaal afgedekt vervoerd te worden naar een verbrandingsoven of erkende composteringsinstallatie. De gebruikte vervoermiddelen en materiaal moeten achteraf ontsmet worden.

De ziekte valt niet te ‘genezen’ en chemische gewasbescherming is niet mogelijk.  Preventieve maatregelen en acties na de vaststelling zijn het enige dat de bacterie kan intomen.  Alhoewel het terugsnoeien van een besmette meidoornhaag tot in het gezonde hout in principe als een volwaardige fytosanitaire maatregel zou moeten worden beschouwd, blijkt dat in de praktijk veelal wordt overgegaan tot de meest vergaande bestrijdingsmaatregel waarbij de haag helemaal wordt gerooid.  Als gevolg daarvan zijn in ons landschap ettelijke kilometers meidoornhagen en houtkanten verdwenen.   Ondertussen blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat de invloed van meidoorn op de verspreiding van bacterievuur zwaar werd overschat.

Men kan zich ook vragen stellen over de verplichte snoeiplicht die enkel geldt voor de meidoorn.   Om bloei te vermijden legt het KB een preventieve snoeiplicht op van niet besmette meidoornhagen tussen 1 november en 1 maart.  Nochtans wordt er in de Europese wetgeving nergens gesteld dat gezonde hagen niet zouden mogen bloeien.

Tenslotte stellen zich voor meidoorns gelegen in een erkend natuurreservaat bijkomende juridische problemen.  Volgens artikel 35, § 2 van het Decreet Natuurbehoud is het verboden om planten opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of op welke wijze dan ook te beschadigen of te vernietigen.   Bij bestrijding van bacterievuur op meidoornhagen in Vlaams of erkend natuurreservaat is telkens een ontheffing vanwege de Vlaamse Regering vereist.   Daarbovenop geldt er ook een natuurvergunningplicht voor het wijzigen van kleine landschapselementen zoals hagen en houtkant.    Bovenstaande knelpunten wijzen nog maar eens op tegenstrijdigheden tussen natuurbehoudwetgeving en landbouwwetgeving.  Beide wetgevingen hebben een andere doelstelling, maar de toepassing van de ene wetgeving ontslaat de verantwoordelijke én de overheid niet van de naleving van de andere wetgeving.

De verdelgingsplicht voor bepaalde planten is overbodig of hij wordt buitenproportioneel toegepast.  Daardoor wordt het beoogde doel van de bestrijdingswetgeving niet gehaald en wordt bovendien veel te vaak vermijdbare schade toegebracht aan de natuur.   De disproportionele omvang van de bevolen bestrijdingsmaatregelen blijkt overigens veelal te berusten op een onjuiste inschatting van de schadelijke impact van besmette meidoornhagen op landbouwgewassen.

Marc Cordenier van het Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels verklaart in Het Nieuwsblad dat “…er niet echt een oorzakelijk verband vastgesteld is als zou bacterievuur in meidoornhagen de commerciële fruitteelt infecteren. Integendeel, een Nederlandse studie wijst uit dat het eerder omgekeerd zou zijn, omdat de perenbomen eerder in bloei staan, waardoor insecten de bacterie van de perenboom op de meidoornhaag overbrengen.”   Ook in de publicatie: ‘Beheer van hagen, houtkant en knotwilgen’  (website Regionaal Landschap Groene Corridor) staat het volgende te lezen: ”Vroeger werd meidoorn aanzien als verspreider van het perenvuur.  Nu weet men dat bacterievuur vrijwel altijd veroorzaakt wordt door besmettingshaarden in dezelfde of naburige perenpercelen en niet noodzakelijk door meidoornhagen.”

 .

5.  Een complex verhaal van natuurlijke weerstand …

We mogen onze ogen uiteraard niet sluiten voor het feit dat meidoorn als waardplant vatbaar is voor de ziekte.   Toch is het noodzakelijk om naar het groter geheel te kijken.  Vaak wordt in kwekerijen – om economische redenen – meidoorn geteeld met zaad afkomstig uit mediterrane streken.   Omdat deze planten uit een afwijkend klimatologisch gebied komen reageren ze anders op onze omstandigheden en zijn ze gevoeliger voor ziekten.  De streekeigen meidoorn heeft een langere levensduur, is veel beter bestand tegen de grillen van ons klimaat en tegen allerlei ziekten of plagen.  Ze hebben zich gedurende vele eeuwen kunnen aanpassen aan de lokale groeiomstandigheden.

Ook de opkomst van de monocultuur en de globalisering in de fruitteelt speelt een rol in dit verhaal.  In vroegere tijden zag men een boomgaard in eerste instantie als een schaduwrijke weide voor het vee.  Fruit was er in alle soorten en maten: er waren veel lokale rassen die sterk verschilden naar uitzicht en smaak, maar ook naar houdbaarheid, vruchtbaarheid, oogsttijdstip of ziektegevoeligheid.   De fruithandel begint te bloeien na 1900 en zal samengaan met de zoektocht naar een meer rendabele boomgaard.  Die vindt de teler in de laagstam monocultuur, waarbij fruitsoorten gegroepeerd worden.   Bij laagstamfruitbomen is er al vruchtvorming vanaf 1 tot 4 jaar (i.p.v. 4 tot 6 jaar), de pluk wordt eenvoudiger en er kunnen meer bomen per hectare afgezet worden.   Het grote nadeel van laagstam is evenwel dat de boompjes gevoeliger zijn voor ziekten en dat de levensduur zo’n 15-30 jaar bedraagt.    Vroeger bleven oude hoogstamboomgaarden wel 60-100 jaar staan, zodat de bomen op een natuurlijke manier leerden omgaan met plagen en ziekten en dus veel minder kwetsbaar waren.   Paul Van Laer (Nationale Boomgaardenstichting) legt uit dat “… naast de landschappelijke waarde hoogstamfruit voor een meer robuuste fruitteelt zorgt.  In de zoektocht naar variëteiten die veel fruit produceren van een uniforme kwaliteit werd in het verleden de weerstand tegen ziekten en plagen uit het oog verloren.  Door de nauwe genetische basis van moderne fruitrassen draag je zwakheden mee.  In hoogstamboomgaarden zie je dat een biodiverse natuur ziekten en plagen beter kan beheersen”.

De opkomst en snelle verspreiding van het bacterievirus hangt samen met dicht op elkaar staande eenzijdige begroeiing, gebrek aan diversiteit en een aangetast natuurlijk immuniteitssysteem.   Een complex verhaal over natuurlijke weerstand met verschillende factoren die op elkaar inspelen.

6.  Hagenproject in Zoutleeuw

De laatste tijd beweegt er wat in Zoutleeuw.  De stad blijkt niet ongevoelig te zijn voor de vele troeven die een betoverend hagenlandschap met zich meebrengt.   Vorig jaar gaf het stadsbestuur opdracht aan het Regionaal Landschap Zuid-Hageland (RLZH) om een plan uit te werken voor het beheer van deze waardevolle landschapselementen.

Hagen, Heggen of Houtkant?

  • HAGEN: compacte, geschoren lijnvormige aanplantingen (meestal met jaarlijkse snoei)
  • HEGGEN: dichte rij uitgroeiende struiken, gediversifieerd in soorten en rijk aan bloesems en bessen (snoei om de 2 jaar of langer)
  • HOUTKANT: diepere, hogere houtachtige aanplantingen met een bosrandkarakter (worden om de 5 à 20 jaar afgezet)

In de publicatie ‘Hagen, heggen en houtkanten, een praktische gids’ geven de Regionale Landschappen een schets van de  snelle teloorgang van een landschap waar, in een prikkeldraadloos verleden een fijnmazig netwerk lag van ‘Kleine Landschapselementen’ (KLE’s).      Samen met andere KLE’s, zoals alleenstaande bomen, bomengroepjes, poelen, bermen, boomgaarden, holle wegen, grachten, … vormen hagen, heggen en houtkanten voor zeer veel soorten de ‘ecologische structuur’.  Tegenwoordig wordt deze natuurlijke begrenzing rond weiden en akkers door sommige landbouwers als storend ervaren.  Het relatief arbeidsintensieve onderhoud van een houtkant heeft geen economische functie meer  en wordt dus vaak als tijdsverspilling ervaren.  Ook de wijdverbreide veronderstelling dat houtkanten e.d. de groei en het rijpen van gewassen negatief beïnvloeden (door voedsel- en lichtconcurrentie) zorgt voor een negatieve kijk. Uitgegroeide hagen en houtkanten waar niemand nog het onderhoud van verzekert, belemmeren bovendien de doorgang op los- en veldwegen. Het voornaamste bezwaar is echter productie- en oppervlakteverlies: in de grootschalige en gemechaniseerde landbouw staan hagen en houtkanten vaak ‘in de weg’.

Het Regionaal Landschap zet zich samen met steden en gemeenten, scholen, inwoners en  verenigingen (o.a. Natuurpunt), in om deze lijnvormige groenelementen te stimuleren om zo de biodiversiteit in ons landschap te verhogen.

Ook in Zoutleeuw mocht RLZH dus aan de slag gaan.  In 2015 werd de inventarisatie van alle hagen en heggen in de stad afgerond.   In totaal werd er zo’n 82 km geïnventariseerd.

Er zijn nog heel wat meidoornhagen aanwezig, aangevuld met sleedoorn, zwarte els en veldesdoorn.   Wel is er een duidelijke concentratie ten zuidwesten van het centrum: in de omgeving van het Bolwerk en de Koepoortstraat (samenvloeiing Kleine Gete en de Dormaalse beek) en rond Meertsheuvel.

Er wordt een quasi-afwezigheid opgetekend ten zuiden van de Steenweg en in het noordwesten van Zoutleeuw, waar er veel fruitplantages liggen.

Relatief gave hagen en heggen werden zelden gevonden, het merendeel blijkt onderbroken of zijn slechts relicten in het landschap.

De afschaffing van stedelijke snoeipremies in 2014 lijkt een impact te hebben gehad op het beheer van hagen en heggen.  Uit het onderzoek van RLZH blijkt dat nog maar 30% van al de geïnventariseerde hagen onderhouden wordt.  Bij 2/3 tot 3/4 is momenteel een nulbeheer vastgesteld.   Verwaarlozing van hagen en heggen is momenteel een pijnpunt in Zoutleeuw.  Maar ook een te intensief beheer is nefast voor deze mooie landschapselementen.  Wanneer er te kort, te frequent of steeds op dezelfde plek gesnoeid wordt krijgt de struik niet de kans om bloemen en bessen te ontwikkelen.  Hierdoor heeft de haag een beperkte ecologische meerwaarde.

Op basis van de onderzoeksresultaten werd in het voorjaar van 2016 twee kilometer haag in beheer genomen door RLZH.  In de Koepoortstraat worden momenteel verschillende historische en experimentele snoeimethoden (zoals vlechthagen) toegepast.     Ook de hagen in de Rettekesstraat worden door RLZH beheerd, dit in kader van het onderhoud van de paden van het wandelnetwerk Getevallei.    Er zal steeds variatie in de haaggroei toegepast worden, sommige hagen worden jaarlijks gesnoeid, anderen om de 3 à 4 jaar en nog andere delen mogen 10 jaar doorgroeien waarna ze weer worden teruggezet.  De hagen dichter bij het stadscentrum worden bewust korter gehouden omwille van erfgoedwaarden en het beschermd stadszicht.

Het RLZH heeft ook een interessant aanplantproject lopen.  Wil je zelf graag een nieuwe landschappelijke haag, heg of houtkant aanleggen? Of moet je bestaande haag hersteld en aangevuld worden? Dankzij de financiële bijdrage van de Provincie Vlaams-Brabant betaal je slechts 50% van de kostprijs.

.

7.  Hoopvolle toekomst voor de meidoornhagen?

Iedere lente komen in Zoutleeuw honderden wandelaars zich letterlijk vergapen aan onze bloeiende meidoornhagen.   In functie van het Charter Biodiversiteit had de stad Zoutleeuw in 2007 nog een actieplan rond het beheer en onderhoud van meidoornhagen op het programma staan. Maar in 2010 leek dat plan helemaal van de baan.  Voor de verbetering van de bestaande ‘vestenwandeling’ rond het centrum van Zoutleeuw kregen ook de hagen een grondige onderhoudsbeurt.   Ontbrekende stukken haag werden opnieuw aangeplant.  Hierbij werd in overleg met de landbouwers gekozen voor sleedoorn i.p.v. éénstijlige meidoorn, zodat er ook een sensibilisatieluik omtrent ‘perenvuur’ kon aan gekoppeld worden.

;

;

We kunnen vandaag alleen maar blij zijn met de interesse die de stad toont om haar hagenlandschap in ere te herstellen.  De keuze voor de meidoorn als symbool voor het wandelnetwerk Getevallei rond Zoutleeuw geeft ons tevens voorzichtige hoop.

Ook al  gaan er verschillende stemmen op om meidoorn uit het streekeigen hagenpakket te schrappen, toch blijft  ook RLZH overtuigd van haar onschatbare waarde.  Er wordt gestreefd naar zo veel mogelijk biodiversiteit. Bij de keuze van de soorten tracht men ook een goede verdeling te krijgen van bloesems en bessen over het hele jaar heen.

Of er nieuwe meidoornhagen in Zoutleeuw aangeplant worden blijft sterk afhankelijk van de locatie.   Langs fruitbomen zal eerder geopteerd worden voor sleedoorn.

Af en toe krijgen we de vraag waarom we niet volluit kiezen voor de sleedoorn, ook een doornstruik, geen waardplant voor bacterievuur en dus een uitstekend alternatief voor de meidoorn.   Er speelt wel meer dan nostalgie naar kleinschalige landbouw met respect voor wat de natuur te bieden heeft.  Bes- en nootdragende struiken spelen in de wintervoeding van vogels een cruciale rol. De aanwezigheid van meerdere soorten is hier van levensbelang.    Bessen, zoals die van rode kornoelje zijn zacht en worden dus het eerst gegeten. Andere bessen, zoals deze van de meidoorn zijn meliger en wat onsmakelijk en blijven daardoor langer aan de struik  hangen.  Tenslotte levert de sleedoorn dan weer wrange, zure pruimpjes, die door de vogels enkel gegeten worden als de rest op is, of nadat vorst zijn werk heeft gedaan. Op die manier blijft er elk moment van de winter wel iets op het vogelmenu staan… .

Meidoornhagen vervullen tal van functies: naast de ecologische functie als nestgelegenheid en voedselbron voor heel veel dieren, hebben ze een cultuurhistorische betekenis als natuurlijk erfgoed.  Ze zijn ook landschapesthetisch van groot belang, waardoor ze een bijkomende troef betekenen voor toerisme en landschapsbeleving.  De hagen kunnen nog altijd een rol vervullen in de strijd tegen wind- en watererosie. Ze vormen een windscherm voor fruitbomen en landbouwgewassen en ze bieden beschutting voor het vee.  Hagen en heggen vormen bovendien een netwerk van ‘biologische snelwegen’ waarlangs dieren en planten zich kunnen verplaatsen.  Via deze ‘stapstenen’ kunnen ze op zoek naar nieuwe leefgebieden en is uitwisseling met naburige populaties mogelijk.

.

Bovendien geeft de meidoorn het landschap wat peper en zout… ingrediënten die we hier goed kunnen gebruiken!

.

Natuurpunt Zoutleeuw doet dan ook een warme oproep om de meidoornhagen die er nog staan te koesteren als een onvervangbaar stukje natuur in het mooie Hageland!

.

Geraadpleegde bronnen:

Hagen, Heggen en Houtkanten, een praktische gids (2010) (Regionaal Landschap Groene Corridor vzw en Regionaal Landschap Dijleland vzw) | Hagen, heggen en houtkanten (Regionaal Landschap Zuid-Hageland)  | Hagen, heggen en houtkanten (Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen)  | Beheer houtige KLE (Regionaal Landschap Groene Corridor) | Folder Provincie Vlaams-Brabant (2010): Bacterievuur, niet in mijn tuin! |   Koninklijk Besluit 23/06/2008  en Richtlijn 2000/29/EG over de bestrijding van de Erwinia-bacterie.  |  De mythe van de meidoorn en het perenvuur.  Anne Tanne (2008) | Over meidoorns en distels: ecologische juweeltjes of doorn in het oog?  Een juridische evaluatie van de wettelijke bestrijdingsplicht van distels en van bacterievuur op meidoorns.  An Cliquet, Peter De Smedt (2002) |  Bacterievuur  (Provincie Vlaams-Brabant) | Bacterievuur  (Wikipedia) | Bacterievuur (ProefCentrum Fruitteelt vzw – Charles de Schaetzen en Tom Deckers) |  De meidoorn onschuldig na jarenlange vervolging.  Bart Van Tooren (1990)  |  Waarom autochtoon plantsoen het best (aangepast) is.  Kristine Vander Mijnsbrugge (INBO) |  Belgische fruitteelt, van fruitweides tot intensieve teelt (Centrum Agrarische Geschiedenis – Krista Caimo 2013) | Hoogstamfruit verdient zijn plaats in het landschap (Vilt / Nationale Boomgaardenstichting – Paul Van Laer 2013) | Infobrochure Behaagactie (tandemweb – Behaag onze Kempen) | Oude fruitrassen, Erfgoed uit vervlogen tijden. (vergetentuinrassen.nl) | Eenstijlige meidoorn  Ecopedia  |  Meidoorn, Crataegus monogyna (Natuurpunt Limburg) | Meidoorn (LandschapOverijssel.nl) | Heggen leggen (Inverde.be) | vereniging voor Heggenvlechten | Hagen en Vestenproject Zoutleeuw (2010) |  Zoutpot n°85 mei – juni 2016